Nieuws

  • Komend schooljaar kunnen scholen uit het experiment flexibele onderwijstijden nog op dezelfde voet verder gaan. Vanaf schooljaar 2020/2021 start er een nieuw experiment, schrijft minister Slob (Onderwijs) in reactie op de aangenomen motie van VVD, D66, en CDA. Of alle huidige deelnemende scholen daaraan kunnen meedoen, hangt af van de voorwaarden die nog uitgewerkt moeten worden.

    Slob zal de huidige deelnemende scholen betrekken bij de vormgeving van een nieuw experiment. Een vereiste van de Kamer is in ieder geval dat flexibele onderwijstijden gelden voor álle leerlingen van een school, ongeacht financiële bijdragen van ouders. Ook moet er instemming zijn van de medezeggenschapsraad en moet de onderwijskwaliteit in orde zijn, om in de toekomst te mogen afwijken van de centraal vastgestelde vakanties en de vijfdaagse schoolweek.

    Klik hier voor meer informatie.

  • (Opm. website: onder voorbehoud van voorgenomen wetswijziging)

    Nieuwsbrief PO Raad 18 juni 2019:

    Een grote opluchting voor De School in Zandvoort en andere scholen die met succes meedoen aan het experiment flexibele onderwijstijden. Dankzij een motie van CDA, D66 en VVD en de lobby van de PO-Raad moet minister Slob (Onderwijs) zijn voornemen om het experiment te stoppen, weer intrekken. Vooruitlopend op de gevraagde wetswijziging mogen deelnemende scholen die de onderwijskwaliteit op orde hebben doorgaan. Een ruime meerderheid van de Kamerleden stemde vandaag voor de motie.

    Scholen die hun kwaliteit op orde hebben, mogen toch doorgaan met flexibele onderwijstijden. Dat houdt in dat hun leerlingen bijvoorbeeld buiten de reguliere vakanties op vakantie kunnen en de school het hele jaar open is. Deze scholen zijn niet alleen erg gewild onder ouders, ook de scholen zelf zijn er blij mee.

    Het voornemen van minister Slob om het experiment op álle scholen te beëindigen -met als argument dat flexibele tijden een risico vormen voor de kwaliteit-, stuitte dan ook op veel onbegrip. De PO-Raad startte met diverse leden een lobby richting de Kamer; het experiment toont juist aan dat de kwaliteit níet hoeft te lijden onder flexibilisering. Dit pleidooi kreeg gehoor in de Kamer.

    Ruimte voor innovatie

    De PO-Raad vindt het belangrijk dat scholen ruimte krijgen om te doen wat goed is voor hun leerlingen, of dat nu in de vorm van IKC’s is, op het gebied van passend onderwijs of rond schooltijden. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat veel kinderen in de zomervakantie terugzakken in leesniveau, de bekende zomerdip. Door de vakanties gelijkmatiger te verdelen over het schooljaar kan dit effect worden teruggedrongen. Het experiment met flexibele schooltijden illustreert dat de sector graag wil innoveren, maar hierin keer op keer wordt beknot door wet- en regelgeving.

    De PO-Raad hoopt dat de minister de opdracht van de Kamer gauw omzet in wetgeving (het experiment kan wettelijk niet langer worden verlengd) en daarmee definitief een einde maakt aan de onzekerheid voor de scholen uit de pilot. Met de brede steun van onder andere Groenlinks en PvdA zal een wetswijziging naar alle waarschijnlijkheid ook in de Eerste Kamer een meerderheid krijgen.

  • Nieuwsbrief PO Raad 2 april 2019:

    Vanaf schooljaar 2020-2021 mogen basisscholen niet meer experimenteren met het afwijken van de traditionele schooltijden. Minister Slob (Onderwijs) schrijft vandaag aan de Tweede Kamer dat loslaten van de regels risico’s voor de kwaliteit van het onderwijs met zich meebrengt. De PO-Raad vindt dat de minister eerst zijn nieuwe voorstel moet uitwerken, voordat hij het kind met het badwater weggooit.

    Vijf van de twaalf scholen die deelnamen aan het experiment flexibele onderwijstijden, zijn gestopt in verband met kwaliteitsproblemen, staat in de brief van minister Slob. De PO-Raad vindt het terecht dat scholen met onvoldoende leeropbrengsten uitgesloten worden van het experiment: onderwijskwaliteit moet immers altijd voorop staan. De PO-Raad heeft de indruk dat de selectie voor deelname niet goed was. Zo werden ook nieuwe scholen en scholen met zeer weinig leerlingen toegelaten.

    Kind met badwater weg

    De PO-Raad vindt het niet terecht dat ook de scholen waar het wél goed gaat moeten stoppen. Ook de bevindingen van deze scholen zouden wat betreft de PO-Raad moeten meewegen bij de keuze voor het vervolg. Pioniers met lef zijn immers nodig om de houdbaarheid van het stelsel aan de kaak te stellen: waarom doen we de dingen zoals we ze doen, omdat het al honderd jaar zo gaat? Door nu voor de hele groep het experiment stil te leggen, gooit de minister het kind met het badwater weg, oordeelt de PO-Raad. Slob kondigt in zijn brief aan dat hij op zoek wil gaan naar andere mogelijkheden voor flexibilisering en ruimte, ditmaal vanuit het perspectief van de leerling en leerkracht. Het is goed voorstelbaar dat dezelfde scholen die het nu goed doen, ook daarvoor weer in aanmerking zouden komen. Door nu het experiment – ook voor goedlopende scholen – te stoppen, verwacht de PO-Raad weinig animo voor een nieuwe experimentenregeling.

  • Oberon heeft een onderzoek gedaan naar de samenwerking tussen onderwijs (basisscholen) en kinderopvang in 2019. Er was in 2016 ook al een meting gedaan. De gegevens worden op een factsheet en in het rapport “Samenwerking in beeld 2″naast elkaar gelegd.

    Klik hier voor de factsheet

    Klik hier voor het rapport

  • Investeren in kinderen van 0-12 jaar, is een literatuurstudie naar beschikbare wetenschappelijke kennis over wat werkt voor het ontwikkelen en leren van jonge kinderen (0-12 jaar).

    Het onderzoek is uitgevoerd door Pauline Slot en Paul Leseman van de Universiteit van Utrecht in opdracht van de Kennistafel PACT voor Kindcentra. In deze publicatie worden negen aannames van waaruit wordt gewerkt bij de ontwikkeling van integrale kindcentra, wetenschappelijk onderbouwd.

    De studie wijst uit dat de samenleving op tal van manieren profiteert van substantiële aandacht voor de ontwikkeling van jonge kinderen en de studie laat zien welke pedagogische infrastructuur daarvoor nodig is.

    Klik hier voor het rapport

  • De meeste basisscholen hanteren geen traditionele schooltijden meer.
    Dit schooljaar is het percentage scholen dat het traditionele schooltijdenmodel hanteert verder gedaald naar 41%. Vorig schooljaar hanteerde nog 50% van de basisscholen het traditionele schooltijdenmodel en zes jaar geleden was dat op ruim driekwart van de scholen (77%) het geval.

    Op een derde van de scholen (33%) wordt momenteel het continurooster gehanteerd. Verder wordt de laatste jaren relatief vaak de overstap gemaakt naar het vijf-gelijke-dagenmodel. Dat blijkt uit een in november/december 2017 verricht onderzoek onder 400 leerkrachten in het basisonderwijs. Het (representatieve) onderzoek is uitgevoerd door DUO Onderwijsonderzoek & Advies, een onafhankelijk onderzoeksbureau.

    Recentelijk relatief vaak overstap naar vijf-gelijke-dagenmodel
    Bij het traditionele schooltijdenmodel start de school tussen 8:30 en 8:45 uur en gaat de school tussen 14:30 en 15:30 uur uit, eten kinderen tussen de middag thuis of bij de overblijf op school en hebben de kinderen woensdagmiddag vrij.
    Inmiddels hanteert een derde van de basisscholen (33%) het continurooster, waarbij alle kinderen tussen de middag op school blijven en daar een kortere middagpauze hebben. De school is dan eerder uit en op woensdagmiddag zijn de kinderen (nog steeds) vrij.

    Scholen die zijn overgestapt op het vijf-gelijke-dagenmodel (14% van de scholen hanteert dit model
    momenteel), zijn met name vanaf schooljaar 2015-2016 op dit model overgestapt. Bij dit model blijven alle kinderen tussen de middag op school, hebben daar een kortere middagpauze en gaat de school elke dag om 14:00 of 14:30 uur uit. De scholen die voor dit model hebben gekozen, zijn afgestapt van de ‘traditionele vrije woensdagmiddag’.

    Reden(en) zowel inhoudelijk als praktisch
    Redenen voor basisscholen om over te stappen op het continurooster of het vijf-gelijke-dagenmodel zijn deels inhoudelijk (men denkt dat continuïteit (van de lesdag) beter is voor het functioneren van de leerlingen) en deels praktisch van aard (men geeft aan moeite te hebben om voldoende bekwame mensen te vinden voor overblijf/toezicht).

    Klik hier voor rapport 

  • Het Kohnstamm Instituut heeft recentelijk het onderzoeksrapport IKC’s over wat hen kenmerkt gepubliceerd. In opdracht van Het Kinderopvangfonds voerde het Instituut een onderzoek uit bij vergevorderde kindcentra over hun werkprincipes, veronderstellingen en aannames en succesfactoren bij het ontwerp van hun kindcentrum.

    Het doel van het onderzoek was om meer inhoudelijke verdieping te geven aan het IKC concept. Hiertoe zijn er diepte-interviews gehouden met tien koplopers in de ontwikkeling van kindcentra. Van de typische kenmerken uit het onderzoek wordt nu een populaire bewerking gemaakt, een remake van de animatie ‘Wat is een Kindcentrum?’

    Klik hier voor rapport